Over koala’s en de handicap van de B2-student

Studente Christina begon wild met haar armen te wapperen en hield (vol enthousiasme, dat wel) een wat warrige oratie over het spijsverteringssysteem van de koala. Want dat was net zoals dat van de luiaard, zei ze. Haar verhaal stond helaas haaks op wat David Attenborough net over de eet- en verteringsgewoonten van de luiaard uitgelegd had. De moed zonk me in de schoenen. Christina leek de enige in de groep die überhaupt iets meegekregen had van de clip, en de rest was het spoor van haar koalaverhaal ook allang bijster. En van de 30 beschikbare minuten in mijn ‘vrije les’ waren er nog 8 over…

Hier in Hamburg bevind ik me weer aan de andere kant van het bord, en ben ik zelf weer upper-intermediate student (B2).

De communis opinio lijkt te zijn dat een taal leren het moeilijkst is als je net begint, en je nog niet van de hoed en de rand weet. Mijn theorie is dat het veel lastiger is als je  het tot upper-intermediate geschopt hebt, en wel één en ander weet over die hoed, maar nog niet alles over de rand. Die week Macedonische les bij mijn TEFL-opleiding was ontzettend nuttig om te ervaren hoe het is om bij nul te beginnen, maar mijn eigen lessen in Duits B2 brengen me met terugwerkende kracht nog veel meer begrip voor mijn studenten in Barcelona.

Punt is, mijn passieve Duits is geen B2, eerder C1. In de les en in normale conversaties kan ik over het algemeen alles verstaan (als mensen tenminste niet door elkaar heen praten, en ik niet op een druk station brood probeer te kopen). In sociale context, waarbij je zelf bepaalt waarover je praat, kan ik ook leuk meebabbelen, zij het dat het niet altijd grammaticaal kosher is.

Maar als ik in de les moet uitleggen hoe het Nederlandse rechtssysteem werkt (en daar praat ik natuurlijk beregraag over)* en moet uitleggen wat TBS is, dan vallen toch de gaten in mijn vocab op, en ook in mijn grammaticale kennis.

Gatenkaas

Mijn kennis van de Duitse grammatica is namelijk een beetje een gatenkaas. Hoewel ik Latijn & Grieks gestudeerd heb, en ik dus heus wel het één en ander weet over naamvallen, ben ik er nooit in geslaagd de alle juiste verbuigingen in het Duits te leren. Huis-tuin-en-keuken-gebruik gaat nog wel, maar met bijvoeglijke en aanwijzende voornaamwoorden ben ik slordig.

Ik heb dit nooit fatsoenlijk geleerd. Mijn leraar Duits verdacht ik ervan zelf nog bij de Hitlerjugend gezeten te hebben, was een enge sadist, en was er derhalve de oorzaak van dat ik Duits op school heb laten vallen. Gaandeweg heb ik wel Duits gelezen en voor werk gebruikt, en mijn passieve Duits werd beter. Vervolgens ging ik cursussen doen, en werd ik, op grond van mijn passieve kennis, steeds in B1/B2 geplaatst. Op dat niveau doe je niet meer van aus-bei-mit-nach-von-zeit-zu en der/des/dem/den.

En nu ben ik dus een beetje gefrustreerd. Ik leer wel iets, ik ben er ook de hele dag mee bezig, maar ik voel me soms behoorlijk gehandicapt. Het is irritant om te begrijpen wat er tegen je gezegd wordt, en de woorden niet te kunnen vinden om goed te reageren. Mijn synoniemenarsenaal is nog niet supergroot.

Creatieve oplossingen

Zolang dat het geval is, en de gaten in de kaas nog niet gedicht zijn, los ik dat in de praktijk creatief op:

– Bij tafeltennis kun je gewoon roepen dat alles “geil” is;

– In de les kun je beter zeggen “ach sooooo” (of “ja, ja, alles klar”);

– Bier helpt, ook al blijft het spul niet te hachelen;

– Bij de uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden mompel ik, en versnel ik mijn tempo, in de hoop dat mijn gesprekspartner niet hoort dat ik niet geheel zeker van mijn zaak ben.

De laatste 8 minuten van mijn les over de luiaard hebben we over koala’s gepraat. Student Talk Time is toch het allerbelangrijkst 🙂

toegegeven, het is een beter thema dan het thema uit mijn eerste week, nl. ‘bindingsangst’.

Plaats een reactie